Wisbordjes gebruiken in de klas: hoe en waarom?

Je hebt wisbordjes vast weleens voorbij zien komen. Het zijn bordjes waarop een leerling een antwoord kan opschrijven en dan omhoog houdt. Je ziet ze veel op de basisschool, maar ook wel in het voortgezet onderwijs. Maar waarom zou je ze gebruiken? Wat maakt ze zo handig? In deze blog lees je hoe wisbordjes je lessen actiever maken, waar je ze kunt vinden (of hoe je ze zelf kunt maken) en hoe je ze handig inzet in het voortgezet onderwijs.

Waarom werken wisbordjes zo goed?

Wisbordjes lijken misschien iets voor de basisschool, maar ook in het voortgezet onderwijs zijn ze handig om in te zetten. Ze zorgen ervoor dat leerlingen actief meedoen – niet alleen de snelle denkers of de mondige leerlingen. Daarnaast geven ze je als docent direct inzicht in het begrip van de klas.

Even een voorbeeld: stel, je geeft een geschiedenisles over de Romeinen. In plaats van één leerling te vragen om uit te leggen wat een consul deed, laat je iedereen op een wisbordje een antwoord schrijven. Vervolgens laat je de bordjes tegelijk omhoog houden. Zo zie je in één oogopslag of de klas het begrijpt en wie nog extra uitleg nodig heeft.

Ook is het fijn omdat je geen device in de klas nodig hebt. De laptops kunnen gewoon in de tas blijven.

De voordelen op een rijtje:

  • Iedereen doet mee – Geen escape, want iedereen moet een antwoord geven.
  • Snelle feedback – Je ziet meteen wie de stof snapt en waar nog onduidelijkheden zitten.
  • Laagdrempelig – Leerlingen durven eerder iets op te schrijven dan hardop te zeggen.
  • Veelzijdig – Geschikt voor vrijwel elk vak en elk leerjaar.
  • Geen device nodig – zorgt ervoor dat leerlingen meer focus op de les hebben en geen andere dingen gaan doen.

Waar haal je wisbordjes (of hoe maak je ze zelf)?

Je hoeft echt geen dure sets aan te schaffen. Kan natuurlijk wel als je dat wilt, maar er zijn genoeg budgetopties en DIY-oplossingen.

Budgetopties:

  • Action – Kleine whiteboards met een stift en wisser, perfect voor individueel gebruik.
  • HEMA of Xenos – Regelmatig kleine whiteboards in het assortiment.
  • Bol.com – Klassensets of wisbordjes met lijntjes/ruitjes.
  • Shein/Temu – zijn soms dezelfde dingen als die je in de winkels of online vindt, maar dan goedkoper.

Zelf maken:

  • Showtassen als wisbordjes – Stop een leeg A4’tje (of een vel met lijntjes/ruitjes) in een doorzichtige insteekhoes. Werkt perfect met bijvoorbeeld whiteboardstiften!
  • Lamineer een vel papier – Print een leeg blad of een werkblad en lamineer het. Werkt net zo goed als een wisbordje.
  • Plastic placemats – Een gladde placemat (bijvoorbeeld van Action) werkt ook prima als wisbordje.

Beste stiften en wisser-tips:

  • Gebruik dunne whiteboardstiften, zodat leerlingen leesbaar kunnen schrijven.
  • Laat leerlingen een microvezeldoekje gebruiken als gum. (Of een watje bijvoorbeeld, maar dat kan je niet echt vaker gebruiken)

Hoe gebruik je wisbordjes effectief in de les?

Laten we eens kijken hoe je wisbordjes praktisch inzet in een les. Neem een vmbo-les aardrijkskunde (of mens en maatschappij) over vulkanen.

Lesstart – voorkennis activeren
Begin de les met de vraag: Wat weet je al over vulkanen? Laat leerlingen in 30 seconden opschrijven wat in hen opkomt en houd de bordjes omhoog. Zo krijg je direct een indruk van hun voorkennis.

Kern – check begrip tijdens uitleg
Leg uit hoe een vulkaan ontstaat en stel daarna een snelle vraag. Leerlingen schrijven het op en laten hun antwoord zien. Zie je veel twijfel? Dan neem je de uitleg nog een keer door.

Toepassing – korte quiz
Aan het einde van de les doe je een snelle quiz met meerkeuzevragen. Laat ze ‘A’, ‘B’ of ‘C’ opschrijven en omhoog houden. Zo zie je direct of de stof is blijven hangen.

Andere manieren om wisbordjes in te zetten:

  • Woordweb maken – Laat leerlingen in 1 minuut alle begrippen opschrijven die ze onthouden van de vorige les.
  • Ja/nee-vragen – Bijvoorbeeld bij maatschappijleer: Hebben we in Nederland een directe democratie?
  • Tekenopdracht – Laat leerlingen een grafiek, tijdlijn of simpel schema tekenen. Werkt goed bij geschiedenis, biologie en economie.
  • Zelfreflectie – Laat ze in 1 minuut opschrijven: Wat vond ik het moeilijkst aan deze les?

Veelgemaakte fouten bij het gebruik van wisbordjes

Hoewel wisbordjes superhandig zijn, kunnen ze ook verkeerd ingezet worden. Dit zijn een paar valkuilen waar je op moet letten:

Te open vragen stellen – Als de vraag te breed is, krijg je ongestructureerde antwoorden. Houd vragen kort en gericht, zoals: Noem twee oorzaken van de Eerste Wereldoorlog.

Geen tijdslimiet geven – Zonder tijdsdruk blijven sommige leerlingen eindeloos nadenken. Geef een strakke tijdslimiet, bijvoorbeeld 30 seconden en tel af.

Te veel nadruk op juiste antwoorden – Wisbordjes zijn bedoeld om te checken of leerlingen de stof begrijpen. Maak duidelijk dat fouten maken mag en dat het een oefening is, geen test.

Geen duidelijke instructies – Wat doe je als leerlingen klaar zijn? Hoe houden ze hun bordjes omhoog? Maak afspraken zodat het soepel verloopt.

Niet goed nakijken wat leerlingen opschrijven – Het heeft geen zin als je alleen even over de klas kijkt en geen actie onderneemt. Gebruik de antwoorden om in te spelen op misconcepties en extra uitleg te geven.

Tips

  • Geef duidelijke instructies – Hoe lang hebben ze? Hoe laten ze het bordje zien? Oefen het eerst een paar keer, doe het zelf voor en laat zien hoe je wil dat leerlingen de wisbordjes gebruiken.
  • Maak het een routine – Als je wisbordjes vaak gebruikt in je les, wordt het een routine en gaan leerlingen er sneller en beter mee werken.
  • Gebruik kleuren en symbolen – Laat leerlingen kleuren gebruiken om bijvoorbeeld verbanden aan te geven.
  • Maak het speels en zet game-elementen in – Zet een timer of maak er een kleine wedstrijd van (bijv. wie het snelst een correct antwoord heeft). (Maar niet altijd, anders kunnen andere leerlingen ook juist afhaken)
  • Geen wisbordjes? Gebruik digitale alternatieven zoals LessonUp, Padlet, Mentimeter etc.

Conclusie

Wisbordjes zijn een simpele, maar krachtige tool om je lessen interactiever te maken. Ze zorgen voor actieve betrokkenheid, snelle feedback en geven jou als docent inzicht in wat je leerlingen wel en niet begrijpen. Of je ze nu koopt bij de Action, zelf maakt of een digitale variant gebruikt, ze zijn onmisbaar in een activerende les.

Gebruik jij al wisbordjes in je lessen? Laat hieronder weten hoe jij ze inzet!

Hoe houd je leerlingen betrokken tijdens de uitleg?

Een klas vol leerlingen die altijd aandachtig luisteren? Klinkt mooi, maar in de praktijk weet je hoe lastig het soms is om hun aandacht vast te houden. Vooral bij lange of passieve uitleg zie je de concentratie snel verdwijnen. En zelfs als leerlingen stil zijn en naar je kijken, betekent dat niet per se dat ze echt luisteren. Gelukkig kun je met een paar aanpassingen proberen om leerlingen actiever te betrekken.

In deze blog deel ik vijf praktische strategieën en geef tips die je daarbij kunnen helpen.


1. Stop-Think-Pair-Share

Stel je voor: je geeft uitleg en je wilt dat leerlingen echt nadenken over de stof. In plaats van dat alleen de snelle denkers hun hand opsteken, laat je iedereen meedoen.

  • Stap 1 – Stop: Je stelt een vraag na je uitleg.
  • Stap 2 – Think: Leerlingen denken individueel na over het antwoord.
  • Stap 3 – Pair: Ze bespreken hun antwoord kort met een klasgenoot.
  • Stap 4 – Share: Enkele duo’s delen hun antwoord met de klas.

Bijvoorbeeld bij geschiedenis: Na een uitleg over de Franse Revolutie vraag je: “Waarom denk je dat de Bastille bestormd werd?” Leerlingen denken eerst zelf na, bespreken het daarna met een klasgenoot en vervolgens delen een paar duo’s hun antwoord voor de klas.


2. Controlevragen met wisbordjes of vingers

Probeer leerlingen scherp te houden tijdens de les door tussendoor controlevragen te stellen.

  • Laat leerlingen hun antwoord opschrijven op een wisbordje en omhoog houden.
  • Zonder gebruik van device in de klas: gebruik vingers (1 vinger = ‘ik snap het niet’, 5 vingers = ‘ik kan het uitleggen’).
  • Als je het digitaal wil doen: gebruik LessonUp of een andere digitale tool zoals Mentimenter.

Dit is handig bij bijvoorbeeld grammatica. Geef een meerkeuzevraag en laat leerlingen hun keuze laten zien met vingers of een wisbordje. Zo zie je direct wie het begrijpt en wie extra uitleg nodig heeft.


3. Even testen: korte verwerkingsmomenten

Tijdens de uitleg kun je leerlingen zelf laten checken of ze de stof snappen:

  • 1-zin samenvatting: Laat ze in één zin opschrijven wat de kern van de uitleg was.
  • 3-2-1 Methode: Laat ze 3 dingen opschrijven die ze hebben geleerd, 2 vragen die ze nog hebben en 1 inzicht dat ze hebben opgedaan. (lees ook mijn blog: gebruik 3-2-1 methode in verschillende fases van de les)

4. Beperk de uitleg tot maximaal 10 minuten

Lang luisteren zonder interactie is lastig. Als de uitleg langer duurt, haakt een groot deel van de klas af. En zelfs als leerlingen stil zijn en naar je kijken, betekent dat niet per se dat ze echt luisteren. Hun gedachten kunnen makkelijk afdwalen.Daarom:

  • Wissel elke 5-10 minuten uitleg af met een korte opdracht of vraag. Dus stukje uitleg, opdracht/verwerking en dan eventueel verder.
  • Gebruik visuele ondersteuning, zoals een afbeelding of een korte video.
  • Stel voor de uitleg bijvoorbeeld een vraag om leerlingen nieuwsgierig te houden.

5. Laat leerlingen actief noteren met een structuur

Niet alle leerlingen weten hoe ze aantekeningen moeten maken. Zonder structuur schrijven ze óf alles op óf bijna niks. Je kunt ze helpen door:

  • De Cornell-methode: Leerlingen verdelen hun aantekeningen in kernpunten, vragen en een samenvatting. (zie ook mijn blog: gebruik de Cornell-methode om aantekening te maken)
  • Modelleren: Doe voor hoe jij aantekeningen zou maken. Denk hardop na terwijl je kernpunten opschrijft of een samenvatting maakt. Bijvoorbeeld: “Ik schrijf eerst het hoofdonderwerp op, daarna zet ik pijlen naar de belangrijkste begrippen.”
  • Invulbladen: Laat leerlingen een werkblad invullen met ontbrekende kernwoorden.
  • Teken het : Laat leerlingen de uitleg in een simpele schets of een mini-mindmap samenvatten.

Conclusie

Leerlingen betrekken bij je uitleg hoeft niet per se moeilijk te zijn. Door vragen te stellen, korte verwerkingsmomenten in te bouwen en visuele ondersteuning te gebruiken, houd je de aandacht vast. Probeer een van deze strategieën en tips eens uit en ontdek welke het beste werkt in jouw klas!

Welke van deze strategieën pas jij al toe? Of heb je een andere tip die goed werkt? Laat het weten in de reacties of stuur me een bericht

Lesdoelen formuleren

Wat is een lesdoel?

Een lesdoel beschrijft wat leerlingen aan het eind van de les moeten kunnen of begrijpen.

Hoe formuleer je een lesdoel?

Begin bij het voorbereiden van je les bij het lesdoel. Vraag jezelf bijvoorbeeld: “Wat wil ik dat mijn leerlingen aan het einde van de les kunnen?” Zet dit lesdoel zichtbaar voor de leerlingen neer, zodat ze weten waar ze naartoe werken.

Begin bij de inhoud:

Wat is de kern van deze les? Wat wil ik dat leerlingen onthouden of kunnen aan het eind van mijn les?

  • Formuleer in leerlingtaal:
    Gebruik de zinstructuur “Ik kan …” of eventueel “Je kunt …” Daarmee wordt het concreet en begrijpelijk voor leerlingen.
  • Maak het meetbaar:
    Het moet mogelijk zijn om aan het einde te controleren of leerlingen het doel hebben gehaald. Vermijd vage woorden als kennen of weten. Gebruik liever woorden als uitleggen, benoemen, toepassen.
  • Zorg dat het haalbaar is in één les:
    Houd het klein en concreet. Een hoofdstuk samenvatten is geen lesdoel, maar een kernbegrip uitleggen wel.
  • Maak het zichtbaar in de klas:
    Schrijf het doel altijd op het bord of toon het in je PowerPoint of LessonUp, zodat leerlingen weten waar ze naartoe werken.
  • Gebruik je lesdoel bij de afsluiting:
    Probeer aan het eind van je les terug op je lesdoel te komen. (Gebruik bijvoorbeeld de 3-2-1-methode of gebruik Exit Tickets)

Tips om je lesdoel zichtbaar te maken

  • Gewoon op het bord
    Je kunt het lesdoel natuurlijk ook gewoon op je bord schrijven. Wij hebben op school whiteboards naast de smartboards. Maar ik vind het zelf fijn om volle aandacht voor de klas en leerlingen te hebben en wil dan liever niet omdraaien om het lesdoel opschrijven (en mijn handschrift is ook niet echt goed leesbaar).
  • PowerPoint of LessonUp
    Ik zorg er zelf voor dat mijn lesdoel altijd in de LessonUp staat, dan kan ik het lesdoel er ook snel bij pakken aan het begin van de les. En het is makkelijk voor te bereiden. Zelf maak ik meestal op zondag de planningen.
  • Gynzy
    Ik maak zelf veel gebruik van Gynzy, vooral de tool vind ik handig om te gebruiken. Met Gynzy maak ik mijn planning voor op het bord en dan zorg ik ervoor dat het lesdoel onderaan staat. Zo is het ook zichtbaar tijdens de verwerkingsfase van de les.
  • Werkblad
    Als je gebruik maakt van een stencil of werkblad is het een idee om het lesdoel zichtbaar op het formulier te zetten.

Welke manier gebruik jij om je lesdoel zichtbaar te maken in de les? Laat het weten in de comments of stuur mij een bericht.

6 werkvormen om voorkennis te activeren

Voorkennis activeren helpt om leerlingen vooraf te laten nadenken over wat ze al weten. Dit maakt nieuwe informatie makkelijker te begrijpen en beter te onthouden. Ook koppelen leerlingen de nieuwe informatie makkelijker aan wat datgene wat ze al weten.

In deze blog deel ik 6 werkvormen waarmee je voorkennis kunt activeren. Het zijn werkvormen die je zo kunt inzetten, dus je hebt weinig voorbereiding nodig.


1. Voorspel de les

Laat op het bord een afbeelding, kaart of kernwoorden zien die te maken hebben met het onderwerp van de les. Laat hen voorspellen waar de les over zal gaan. Laat de leerlingen de antwoorden schrijven op wisbordjes of kladpapier en laat leerlingen hun voorspelling omhoog houden. Vervolgens laat je leerlingen in tweetallen overleggen en hun voorspelling opschrijven. Bespreek daarna een paar antwoorden klassikaal en koppel hierop terug na de uitleg.

Als je gebruik maakt van LessonUp kan je deze werkvorm ook heel makkelijk doen met een open vraag. Maak eerst een slide met een (historische) afbeelding, kaart of een paar kernwoorden. En in de open vraag zou je leerlingen dan kunnen laten voorspellen waar de les overgaat, daarna in tweetallen bespreken en klassikaal terugkoppelen.

Je zou ook doorkunnen vragen: hoe komt het dat je denkt dat deze les over … zal gaan? etc.

Bijvoorbeeld deze afbeelding uit de Domkerk in Utrecht. Laat leerlingen raden waar de les over zal gaan en waarom ze dat denken, laat ze naar de afbeelding kijken: wat valt op? (Beeldenstorm)

2. Brainstorm in 1 minuut

Geef leerlingen 60 seconden om zoveel mogelijk begrippen of gebeurtenissen op te schrijven die te maken hebben met het onderwerp van de les. Gebruik hiervoor kladpapier, een wisbordje of een digitale tool als Padlet of Mentimeter. Maar ook in LessonUp zou dit kunnen met de open vraag. 💡 Optioneel: Laat leerlingen hun woorden vergelijken met een klasgenoot en er samen drie kiezen die volgens hen het belangrijkst zijn.

Voorbeeld: Bij een les over de Franse Revolutie schrijven leerlingen zoveel mogelijk woorden op die ze kennen over dit onderwerp, zoals ‘Bastille’, ‘Lodewijk XVI’ en ‘guillotine’.


3. Korte quiz

Start de les met een korte quiz over het onderwerp. Dit kan in de vorm van: meerkeuzevragen op het bord waar leerlingen hun keuze opschrijven en dan wisbordjes gebruiken. Of een korte quiz in Kahoot, Quizizz, Quizlet, LessonUp etc. om voorkennis te testen.

Voorbeeld: Begin een les met een waar/niet waar-quiz over de lesstof. Je hoeft niet per se een digitale tool te gebruiken. Je kunt dit ook gewoon op het digibord zetten in een document of slide. Je zou zelfs nog gekleurde kaartjes kunnen maken: groen -> waar rood -> niet waar. En dat leerlingen dan een kaartje omhoog moeten houden.



5. 3-2-1 Voorkennis

Een variatie op de 3-2-1-methode: Leerlingen schrijven op:

  • 3 dingen die ze al weten over het onderwerp
  • 2 vragen die ze hebben over het onderwerp
  • 1 voorspelling over wat ze gaan leren

Gebruik hiervoor kladpapier, wisbordjes of bijvoorbeeld post-its. Of laat het digitaal invullen in bijvoorbeeld LessonUp.

Lees ook mijn blog over 3-2-1 gebruiken in drie verschillende fases van de les.


6. Wat hoort bij elkaar?

Maak een korte koppel-opdracht: Geef leerlingen losse begrippen en laat hen de juiste paren vormen. Dit kan op papier, met kaartjes die ze moeten combineren of digitaal via LessonUp of Quizlet. Laat leerlingen hun keuzes onderbouwen: Waarom horen deze begrippen bij elkaar? Als je eenmaal de kaartjes hebt gemaakt, zou je ze natuurlijk vaker in kunnen zetten. Eerlijk gezegd ben ik soms een beetje te lui om zelf te gaan knippen en plakken en zou ik zelf liever de digitale variant gebruiken.

Voorbeeld: Koppel bijvoorbeeld historische personen aan gebeurtenissen, zoals ‘Samuel van Houten – Kinderwetje van Van Houten’ of ‘Karl Marx’ – ‘Communistisch Manifest’. Of juist jaartallen met historische gebeurtenissen.


7. Woordweb op het bord

Maak als docent een woordweb op het bord of digibord en laat leerlingen aanvullen. ‘Wat weet je al over …’ of ‘Wat weet je nog over … ‘ Gebruik LessonUp, een digibord of whiteboard of een andere digitale tool om de begrippen overzichtelijk te ordenen. Bespreek de verbanden tussen de begrippen en vul als docent aan waar nodig.


Tip: Maak gebruik van vaste routines

Werkvormen zoals deze werken fijn als leerlingen eraan gewend raken. Zo zorg je voor structuur en voorspelbaarheid.

Download het gratis werkblad met deze werkvormen om voorkennis te activeren

Digitale geletterdheid: Vakoverstijgende projecten ontwikkelen, hoe pak je dat aan?

Hoe je digitale geletterdheid ook vormgeeft binnen je school, het gaat erom dat leerlingen de vier domeinen van digitale geletterdheid ontwikkelen: ICT-basisvaardigheden, mediawijsheid, digitale informatievaardigheden en computational thinking.

Maar hoe pak je dat aan als je vakoverstijgend wilt werken op het gebied van digitale geletterdheid? In deze blog lees je hoe je digitale geletterdheid kunt integreren in vakken of vakoverstijgende projecten.


Waarom vakoverstijgend werken met digitale geletterdheid?

De vier domeinen van digitale geletterdheid sluiten goed aan bij bestaande vakken. Door ze in meerdere vakken te verwerken, leren leerlingen digitale vaardigheden toe te passen in verschillende contexten. Dit maakt het praktischer en herkenbaarder.

  • ICT-basisvaardigheden – Leerlingen leren werken met software en digitale tools die ze in verschillende vakken nodig hebben.
  • Mediawijsheid – Ze leren kritisch kijken naar nieuws, sociale media en online informatie.
  • Digitale informatievaardigheden – Ze zoeken en beoordelen bronnen, iets wat in bijna elk vak van belang is.
  • Computational thinking – Probleemoplossend denken en gestructureerd werken, wat bijvoorbeeld bij wiskunde en informatica goed toepasbaar is.

Door digitale geletterdheid vakoverstijgend aan te pakken, zorg je ervoor dat het geen losstaand onderwerp wordt, maar echt een onderdeel van je onderwijs.


Stap 1: Kies een thema dat meerdere vakken raakt

Een goed vakoverstijgend project begint met een thema dat in meerdere vakken relevant is. Voorbeelden van thema’s die aansluiten bij de vier domeinen van digitale geletterdheid:

  • Nepnieuws en betrouwbare bronnen (Geschiedenis, Nederlands, maatschappijleer – mediawijsheid & digitale informatievaardigheden)
  • Data en statistiek in de echte wereld (Wiskunde, economie, Informatica – computational thinking & ICT-basisvaardigheden)
  • Privacy en online veiligheid (Maatschappijleer, mentorles, informatica, Nederlands – mediawijsheid & ICT-basisvaardigheden)
  • Duurzaamheid en technologie (Aardrijkskunde, burgerschap, techniek, informatica – computational thinking & digitale informatievaardigheden)

Laat docenten bijvoorbeeld uit verschillende vakken samen nadenken over hoe ze digitale geletterdheid kunnen verwerken in hun lessen: hoe kan digitale geletterdheid een rol spelen binnen hun vak? Mooi idee voor een werkmiddag.


Stap 2: Maak een matrix met vaardigheden per vak

Om vakoverstijgend te werken, helpt het bijvoorbeeld om inzichtelijk te maken hoe digitale geletterdheid binnen elk vak past. Een vaardighedenmatrix kan hierbij helpen. Bijvoorbeeld:

VakDomein digitale geletterdheidOpdrachtvoorbeeld
GeschiedenisDigitale informatievaardighedenLeerlingen checken historische bronnen op betrouwbaarheid en maken een factcheck.
NederlandsMediawijsheidLeerlingen analyseren nepnieuws en schrijven een artikel waarin ze misleiding uitleggen.
InformaticaComputational thinkingLeerlingen maken bijvoorbeeld een eenvoudige programmeeropdracht of werken met data-analyse.
MaatschappijleerICT-basisvaardigheden & mediawijsheidLeerlingen onderzoeken privacyinstellingen op sociale media en presenteren verbeterpunten.

Zo’n matrix helpt vaksecties om samenhang te creëren en opdrachten af te stemmen.

Je kunt ook een gedeeld document maken met daarbij de vier domeinen van digitaal geletterdheid en vaksecties daarop laten invullen wat bij hun vak past.


Stap 3: Bepaal de werkvorm en het eindproduct

Als de vaardigheden per vak duidelijk zijn, bepaal je bijvoorbeeld hoe leerlingen eraan werken. En dan kan je een werkvorm of eindproduct gaan maken.Dit kan op verschillende manieren:

  • Projectweek – Elk vak behandelt een deelonderwerp en leerlingen bundelen hun werk in een gezamenlijke presentatie of publicatie.
  • Vakoverstijgend eindproduct – Leerlingen maken samen een website, infographic of digitaal tijdschrift waarin verschillende vakken samenkomen.
  • Onderzoek + presentatie – Leerlingen onderzoeken een digitaal vraagstuk en presenteren hun bevindingen met een digitale tool.
  • Presentatiemarkt – Leerlingen presenteren eindproduct op een markt aan ouders, docenten, medeleerlingen en anderen.

Voorbeeld: Een project over nepnieuws waarbij leerlingen bij geschiedenis bronnen checken, bij Nederlands een journalistiek stuk schrijven en bij informatica een interactieve website bouwen met hun bevindingen.

Natuurlijk kan het ook een andere werkvorm of een ander eindproduct zijn, dit zijn maar ideeën over hoe je het zou kunnen doen. Je kunt het gebruiken ter inspiratie.


Stap 4: Gebruik digitale tools die aansluiten bij het project

De juiste tools maken het project niet alleen effectiever, maar ook leuker en leerzamer. Hier zijn een paar handige tools per domein:

  • ICT-basisvaardighedenCanva voor infographics, Google Drive of Microsoft OneDrive voor samenwerking.
  • Computational thinkingGoogle Sheets of Excel voor data-analyse en eenvoudige berekeningen.
  • Digitale informatievaardigheden → bijvoorbeeld Nieuwscheckers.nl (factchecking vanuit de Universiteit Leiden) .
  • MediawijsheidNetwerk Mediawijsheid (mediawijsheid.nl) en Isdatechtzo.nl (lesmateriaal over desinformatie).
  • AI en technologieTools als ChatGPT of Bing AI om kritisch te onderzoeken hoe AI omgaat met bronnen en nepnieuws.

Stap 5: Afronden en evalueren

Een vakoverstijgend project is niet pas gelukt als het leerlingen alleen een eindproduct oplevert, ook reflecteren is belangrijk. Zorg ervoor dat je ook reflecteert op welke vaardigheid ze hebben gebruikt.

  • Laat leerlingen presenteren – Hoe zijn ze te werk gegaan? Wat hebben ze ontdekt?
  • Reflectieopdracht – Welke digitale vaardigheden hebben ze geleerd en hoe kunnen ze die verder ontwikkelen?
  • Evaluatie door docenten – Wat ging goed en hoe kan het volgende keer nog beter?

Gebruik een korte evaluatie of vragenlijst om inzicht te krijgen in hoe leerlingen het project hebben ervaren en wat ze geleerd hebben.


Conclusie: kleine aanpassingen, groot effect

Vakoverstijgend werken met digitale geletterdheid hoeft geen grote verandering te zijn. Door eerst kleine stappen te zetten, zoals een gezamenlijke vaardighedenmatrix of een proefproject (pilot), kun je digitale vaardigheden structureel in meerdere vakken integreren. Dit maakt digitale geletterdheid niet iets dat er even bijkomt, maar iets wat verweven zit in je onderwijs.

Wil je aan de slag met vakoverstijgende projecten op het gebied van digitale geletterdheid op jouw school? Start klein, werk samen en ontdek hoe digitale geletterdheid een plek krijgt in het curriculum.

Ik hoop dat je door deze blog inspiratie hebt gekregen om aan de slag te gaan. Heb je vragen? Laat het weten in de reacties.

Wil je meer lezen over digitale geletterdheid? Lees ook mijn andere blogs:

Digitale geletterdheid – Docenten ondersteunen bij digitale geletterdheid: hoe pak je dat aan?

Digitale vaardigheden zijn niet voor iedere docent vanzelfsprekend. En dat is logisch: digitale ontwikkelingen gaan zo snel dat het lastig kan zijn om alles bij te houden.

In deze blog vind je concrete manieren om docenten te helpen bij hun digitale geletterdheid.

Deze blog richt zich vooral op het ondersteunen van docenten op het gebied van digitale geletterdheid. Zoek je meer informatie over hoe je digitale geletterdheid kunt opnemen in het schoolbeleid? Lees dan mijn andere blog: Digitale geletterdheid in het schoolbeleid: hoe pak je dat aan?


Waarom docenten ondersteunen bij digitale geletterdheid?

Veel docenten willen al wel iets doen met digitale geletterdheid, maar weten niet goed waar te beginnen. Misschien weten ze ook nog niet zo goed wat het precies inhoudt of dat digitale vaardigheden alleen thuishoren bij informatica. Maar digitale geletterdheid omvat veel meer dan dat. SLO onderscheidt vier domeinen:

  • ICT-basisvaardigheden
  • Mediawijsheid
  • Computational thinking
  • Digitale informatievaardigheden

Veel docenten passen al onderdelen van digitale geletterdheid toe, zonder het zo te noemen. Een geschiedenisdocent helpt bijvoorbeeld leerlingen bij het herkennen van betrouwbare bronnen, terwijl een docent Nederlands of maatschappijleer hen leert omgaan met nepnieuws en kritisch lezen etc.

Maar hoe ondersteun je docenten die zich nog niet zeker over voelen over digitale geletterdheid?


1. Workshops door docenten zelf: benut de expertise in je school

Binnen een school is vaak meer digitale expertise dan je denkt of zichtbaar is. Veel docenten beschikken over kennis en vaardigheden, maar sommige collega’s zijn wat bescheidener en laten dat niet direct zien, terwijl ze toch veel kennis hebben.

Hoe pak je dit aan?

  • Gebruik een korte vragenlijst in bijvoorbeeld Forms om te achterhalen hoe docenten hun vaardigheden inschatten op de vier domeinen van digitale geletterdheid.
  • Laat docenten aangeven of ze een workshop willen geven of juist willen volgen. En evt. welk onderwerp.
  • Stel een programma samen op basis van de expertise binnen de school.
  • Wil je toch extra verdieping? Dan kun je altijd nog een externe expert inhuren voor specifieke onderwerpen.

Door te beginnen met de kennis die al in de school aanwezig is, sluit de training beter aan op de dagelijkse praktijk. Vaak werkt leren van collega’s goed, maar een externe trainer kan aanvullend zijn als er specialistische kennis nodig is natuurlijk.


2. Maak informatie over digitale geletterdheid toegankelijk

Zorg voor een centrale plek op bijvoorbeeld SharePoint waar informatie voor docenten beschikbaar is. Denk aan handleidingen, links naar instructievideo’s, lesmateriaal, voorbeelden van andere docenten etc.


3. Stimuleer samenwerking tussen docenten

Leren van je eigen collega’s werkt vaak het goed. Zorg ervoor dat docenten elkaar kunnen helpen en ervaringen kunnen delen.

Manieren om kennisdeling te stimuleren:

  • Intervisiebijeenkomsten – Laat docenten uitdagingen en succesverhalen rondom digitale geletterdheid met elkaar delen. Wat werkt? Waar lopen ze tegenaan? Samen kom je verder.
  • Digitaal maatje’-systeem – Koppel minder ervaren docenten aan een collega die al verder is met digitale vaardigheden. Zo kunnen ze laagdrempelig vragen stellen en van elkaar leren.
  • Handige tool in een kwartier – Een korte en praktische uitleg van een digitale tool tijdens een vergadering. Geen lange training, maar meteen toepasbare tips die docenten direct kunnen gebruiken.

Vraag rond binnen het team welke docenten al ervaring hebben met digitale geletterdheid en bereid zijn om collega’s te helpen. Of zie onderdeel 1, maken van een vragenlijst over digitale geletterdheid docenten.


4. Neem digitale geletterdheid op in het schoolbeleid

Docenten ondersteunen is een belangrijke eerste stap, maar uiteindelijk moet digitale geletterdheid ook een structurele plek krijgen binnen de school. Dit betekent dat het terugkomt in de visie, het curriculum en de dagelijkse praktijk. Hoe je dat aanpakt? Daarover lees je meer in deze blog: Digitale geletterdheid in het schoolbeleid: hoe pak je dat aan?


Begin met kleine stappen

Digitale geletterdheid wordt makkelijker als je het stapsgewijs aanpakt in school. Kleine veranderingen, handige tools en samenwerking maken een groot verschil.

Wil je meer lezen over digitale geletterdheid? Lees ook mijn andere blogs:

Prikkelarm of gezellig? Hoe richt je een klaslokaal in?

Jarenlang hing ik het lokaal waar ik bijna al mijn lessen zat vol met posters, tierelantijntjes en posters van leerlingen. Er stonden overal planten en zelfs de ramen zaten vol stickers. Steeds een nieuw thema: Marvel, Disney, Frozen, Pokemon, Star Wars, kerst, Pasen etc. Het gaf het lokaal een beetje een huiselijke sfeer—niet per se om de leerresultaten te verbeteren, maar gewoon omdat ik het gezellig vond en het er leuk uitzag. In de tijd van de moestuintjes van Albert Heijn had ik zelfs een hele hoek ingericht voor de moestuintjes en ook de vensterbanken stonden vol.

De laatste tijd merk ik dat ik steeds meer neig naar een prikkelarme omgeving voor leerlingen. Niet omdat ik iets tegen versiering heb, maar omdat ik zie dat een rustige ruimte echt helpt bij de concentratie van leerlingen. En eerlijk? Voor mezelf voelt het ook fijner. Ik ben sowieso soms beetje chaotisch, snel afgeleid en raak altijd alles kwijt. Dus voor mij is het eigenlijk ook wel goed om een omgeving met wat meer rust te hebben.

Maar wat werkt nou eigenlijk het beste? Een lokaal vol visuele prikkels of juist een rustige, strakke inrichting?

De voordelen van een gezellig, versierd lokaal

  • Een huiselijke en fijne sfeer waar leerlingen zich welkom voelen.
  • Visuele ondersteuning van de lesstof, zoals tijdlijnen bij geschiedenis.
  • Werk van leerlingen ophangen kan hen trots maken en motiveren.

Waarom een prikkelarm lokaal kan helpen

  • Minder afleiding = meer focus, vooral voor neurodiverse leerlingen.
  • Een rustig lokaal ondersteunt een gestructureerde en overzichtelijke les.
  • Leerlingen kunnen zich beter concentreren op de instructie en opdrachten.

Ik begon me hier pas echt een beetje in te verdiepen toen leerlingen opmerkingen maakten zoals: “Het is hier wel druk.” “Er hangt zoveel dat ik niet weet waar ik moet kijken.” “Ik kan me moeilijk concentreren.” Ook had ik op X een keer een post gelezen van een docent die bewust koos voor een prikkelarm lokaal. (Ik ben alleen vergeten wie dat was en kan het niet meer terugvinden, is twee of drie jaar terug denk ik) Dat zette me aan het denken: hoe beïnvloedt de omgeving eigenlijk het leerproces van leerlingen?

Toen ik mijn lokaal toen geleidelijk wat rustiger maakte, vonden veel leerlingen het fijn. Ze gaven aan dat het soms lastig was om zich te concentreren als het lokaal helemaal vol hing of als er overal spullen in de vensterbank stonden. Maar er waren ook leerlingen die het ‘kaal’ vonden en minder gezellig. “Wat heeft u gedaan mevrouw? Het was hier altijd zo gezellig!” Toch geef ik de voorkeur aan leerresultaten boven gezelligheid: liever een rustige leeromgeving waarin leerlingen zich kunnen focussen dan een druk lokaal vol afleiding en waar leerlingen zich niet misschien durven uit te spreken dat ze er last van hebben.

Toen ik twee/drie jaar geleden het lokaal waar ik zat wat neutraler aan het maken was, heb ik ook leerlingen gesproken die wat minder op de voorgrond staan. Ze gaven aan dat het wel heel gezellig was al die dingetjes, posters en thema’s. Maar dat ze het wel lastig vonden om zich te concentreren.

Wat als je geen eigen lokaal hebt?

Niet iedereen heeft een vast lokaal, bijvoorbeeld als je parttime werkt of gewoon als je pech hebt en door de roostermaker steeds ergens anders wordt neergezet omdat er niet genoeg lokalen voor docenten zijn. Toch kan je wel proberen om een een bepaalde rust en herkenbaarheid in je lessen te houden. Dit kan bijvoorbeeld met:

  • Duidelijke en rustige PowerPoint-dia’s.
  • Een vaste structuur in de les, zodat leerlingen weten wat ze kunnen verwachten.
  • Kleine visuele hulpmiddelen, zoals een overzicht met kernbegrippen dat ik kan meenemen.
  • Of je echt richten op je vak. Bij geschiedenis is het helemaal niet zo raar om bijvoorbeeld een tijdlijn aan de muur te hebben.

De balans vinden

Het hoeft natuurlijk niet óf een prikkelarm lokaal te zijn óf een chaotische ruimte vol posters en overal spulletjes. Een middenweg werkt denk ik het beste: een rustige basis met enkele functionele en sfeervolle elementen. Zelf zou ik tegenwoordig wat meer terughoudend zijn. En minder drukke posters of persoonlijke spullen ophangen, maar een tijdbalk voor geschiedenis of een plantje kan prima. Zo blijft het lokaal overzichtelijk, zonder sfeerloos te worden.

Met bijvoorbeeld kerst vind ik het trouwens wel leuk om wat versiering te hebben. Zolang het niet afleidt en rekening houdt met verschillende leerlingen (knipperende lichtjes is misschien een beetje too much). Een beetje sfeerverlichting of een leuk kerstboompje kan de sfeer net dat beetje extra geven, zonder te overheersen. Of met Pasen een leuke tak met wat eitjes ofzo.
Het belangrijkste is dat je je vooral richt op rekening houden met alle leerlingen. Ze moeten zich veilig voelen en zich kunnen concentreren op de lesstof.

Meer lezen over dit onderwerp?

Paul Kirschner schreef een interessante blog hierover ‘Visueel lawaai’.

Heb jij een vast lokaal? En hoe denk jij over het inrichten van een klaslokaal? Hou je rekening met verschillende leerlingen? Laat het weten in de reacties!

Activerende werkvorm: Speel Pictionary in de klas

Pictionary is een activerende werkvorm die leerlingen uitdaagt om begrippen of bijvoorbeeld historische personen te tekenen en te raden. Zo verwerken ze de lesstof op een actieve manier.

In deze blog leg ik uit hoe je Pictionary kunt inzetten in je les en hoe je het voorbereidt. Scroll naar beneden om het werkblad met de lesbrief gratis te downloaden.

Deze werkvorm is geschikt voor verschillende vakken en niveaus.

Stap 1: Voorbereiding

  1. Kies de begrippen
    Selecteer 10 tot 15 begrippen. Het hoeven niet per se begrippen te zijn, maar ook bijvoorbeeld namen van historische figuren, geografische locaties of andere relevante begrippen.
  2. Maak kaartjes
    Schrijf elk begrip op een apart kaartje. Gebruik verschillende kleuren om het niveau van de begrippen aan te geven. (Bijvoorbeeld gekleurd karton van de Action)De kaartjes kunnen gelamineerd worden of op stevig papier geprint, zodat je ze vaker kunt gebruiken.
  3. Verdeel de klas in teams
    Laat leerlingen in groepjes van 3 of 4 samenwerken, zodat iedereen een beurt krijgt als tekenaar en als raadteam. Je kunt willekeurige groepjes maken met een tool zoals Groepjesmaker.

Stap 2: Zo speel je Pictionary in de klas

Pictionary kun je op verschillende manieren spelen, dit is een manier hoe je het in de klas zou kunnen spelen:

  1. Verdeel de klas in teams
    Elk team speelt om de beurt als tekenaar.
  2. Introductie (5 minuten)
    Leg de spelregels uit:
    • Eén leerling trekt een begrip en tekent dit op het bord.
    • De rest van de klas probeert het begrip te raden.
    • Woorden, letters en cijfers zijn niet toegestaan.
    • De eerste leerling die het juiste antwoord geeft, verdient een punt.
  3. Spelronde (15-20 minuten)
    • Een team kiest een tekenaar.
    • De tekenaar trekt een begrip en begint te tekenen.
    • De klas heeft één minuut om het begrip te raden.
    • Wissel na elk begrip van tekenaar en team.
  4. Afsluiting en reflectie (5 minuten)
    • Bespreek welke begrippen lastig waren om te tekenen en waarom.
    • Vraag bijvoorbeeld leerlingen hoe zij een moeilijk begrip zouden tekenen als ze een tweede kans zouden krijgen.

Tips om Pictionary goed te laten verlopen

  • Houd de tijd bij met een stopwatch (timer op je mobiel) om het speltempo hoog te houden.
  • Moedig leerlingen aan om te blijven raden, ook als het niet meteen lukt.
  • Differentiatie is mogelijk door makkelijke en moeilijke begrippen te combineren.
  • Overweeg een klein prijsje voor het team met de meeste punten. (Of een privilege bijvoorbeeld)

Download de lesbrief

Heb je deze opdracht gebruikt in je les? Ik ben benieuwd naar jouw ervaringen! Laat een reactie achter of deel je feedback.

Zoek je meer activerende werkvormen? Neem dan regelmatig een kijkje op mijn website voor nieuw lesmateriaal of praktische opdrachten voor in de klas.

Effectieve leerstrategieën: wat werkt?

Leren is meer dan alleen een boek openslaan en hopen dat de stof blijft hangen. Veel leerlingen proberen op het laatste moment alles in hun hoofd te stampen, maar dat is niet de meest effectieve manier. Wil je écht goed leren? Dan heb je strategieën nodig die werken. In deze blog deel ik een aantal leerstrategieën die jou (of je leerlingen) helpen om informatie beter te onthouden en toe te passen.

1. Verspreid leren (spaced practice)

Veel leerlingen maken de fout om in één keer een hele berg stof door te nemen. Vaak doen ze dit ook op het laatste moment, met het idee dat ze het dan misschien beter onthouden. Dit lijkt misschien efficiënt, maar het werkt niet. Wat werkt wel? Regelmatig herhalen! Door de stof te spreiden over meerdere dagen of weken, blijft het beter hangen. Plan daarom leerblokken in en herhaal de stof met tussenpozen.

2. Actief ophalen (retrieval practice)

In plaats van alleen maar te lezen of markeren van stukjes leerstof, is het veel effectiever om jezelf te testen. Dit dwingt je om actief na te denken over de stof. Maak bijvoorbeeld oefenvragen, laat iemand je overhoren of schrijf op wat je nog weet zonder je boek erbij te pakken. Hoe vaker je oefent met ophalen, hoe beter de stof blijft hangen.

3. Uitleggen aan anderen (elaboratie)

Als je iets aan een ander kunt uitleggen, begrijp je het zelf ook beter. Door iets in je eigen woorden uit te leggen, moet je actief nadenken over de stof en maak je verbanden. Probeer het eens: leg een ingewikkeld begrip uit aan een klasgenoot, iemand thuis of zelfs gewoon aan jezelf.

4. Afwisseling in oefening (interleaving)

Veel leerlingen oefenen per onderwerp, maar het is juist effectiever om onderwerpen af te wisselen. Dit helpt je om beter te schakelen tussen verschillende soorten informatie. Hierdoor wordt je brein flexibeler en kun je de stof beter toepassen in nieuwe situaties.

5. Concrete voorbeelden gebruiken

Abstracte theorieën blijven lastig te onthouden. Een oplossing? Koppel de informatie aan concrete voorbeelden. Dit maakt de stof niet alleen begrijpelijker, maar ook beter om te onthouden.

6. Dual coding

Beeld en tekst combineren werkt beter dan alleen maar tekst. Denk aan schema’s, mindmaps of simpele tekeningen bij de stof. Ons brein verwerkt visuele informatie sneller en efficiënter, waardoor je de leerstof beter onthoudt. Een goede tip is om aantekeningen te maken met kleine schetsen of diagrammen erbij.

7. Begrijpend leren – verbanden leggen

Stampen van lesstof lijkt op de korte termijn te helpen, maar zorgt er niet voor dat je de lesstof beter begrijpt. Probeer daarom verbanden te leggen tussen verschillende onderwerpen, te bedenken hoe de stof in de praktijk werkt en waarom het relevant is. Hoe beter je de betekenis van iets begrijpt, hoe langer het blijft hangen.

Hoe pas je deze strategieën toe?

Wil je deze leerstrategieën effectief inzetten? Hier zijn een paar praktische tips:

  • Maak een studieschema waarin je de stof verspreid over meerdere dagen.
  • Gebruik flashcards of maak oefenvragen om actief op te halen wat je geleerd hebt.
  • Vertel aan iemand anders wat je geleerd hebt, alsof je de docent bent.
  • Wissel af tussen verschillende soorten oefeningen en vakken.
  • Zoek of maak visuele hulpmiddelen, zoals schema’s of tekeningen.

Met deze aanpak wordt leren niet alleen effectiever, maar ook leuker en minder stressvol. Probeer ze uit en ontdek wat voor jou (of je leerlingen) het beste werkt!

Voorbeeld in de klas

Toen we in de klas het onderwerp standenmaatschappij bijvoorbeeld behandelden, merkte ik dat sommige leerlingen het lastig vonden om de verschillen tussen de drie standen te onthouden.

Daarom combineerden we tekst en beeld: we maakten samen een piramide met symbolen en kleuren om de standen (geestelijkheid, adel en derde stand) weer te geven. Vervolgens liet ik de leerlingen een eigen strip maken waarin ze de privileges en plichten van elke stand in beeld en korte zinnen uitlegden. Door de visuele koppeling werd het makkelijker voor leerlingen om de stof te onthouden.

Download het gratis werkblad over een tekening maken van de standenmaatschappij hier.

Wil je meer tips over effectief leren? Houd mijn website in de gaten voor meer praktische onderwijsartikelen!

Mentorles: quiz over schoolregels

Hoe zorg je ervoor dat leerlingen de schoolregels goed kennen zonder dat het een saaie opsomming wordt? Met een quiz maak je het leerzaam én interactief!

In deze mentorles testen leerlingen hun kennis van de schoolregels in een quiz. Door de antwoorden samen te bespreken, vertel je niet alleen wat de regels zijn, maar ook bijvoorbeeld waarom ze belangrijk zijn.

Onderaan deze blog kun je het werkblad gratis downloaden.


De opdracht: een quiz over de schoolregels

Als mentor stel je eerst een quiz samen met 10 tot 15 vragen over de schoolregels. Denk aan vragen zoals:
✔ Wat moet je doen als je te laat bent?
✔ Mag je je laptop gebruiken in de les?
✔ Wat gebeurt er als je spijbelt?
✔ Hoe meld je je ziek?


Hoe zet je deze les in je klas in?

Stap 1: Kies de quizvorm
Je kunt de quiz op verschillende manieren uitvoeren:

  • Digitaal → via Kahoot, Quizizz, LessonUp of bijvoorbeeld Socrative.
  • Op papier → een werkblad met vragen die leerlingen individueel of in duo’s invullen.
  • PowerPoint → vragen klassikaal tonen, antwoorden opschrijven.

Stap 2: Introductie (5 minuten)
Leg uit waarom jullie de quiz doen. Probeer het een beetje luchtig en positief te houden, zodat het geen suffe les over regels wordt.

Stap 3: De quiz spelen (20-25 minuten)
Laat de leerlingen individueel of in teams de vragen beantwoorden. Maak er eventueel een wedstrijdje van met een kleine beloning.

Stap 4: Bespreek de antwoorden (15 minuten)
Ga kort in op de vragen die veel fout gingen en stel verdiepende vragen zoals:

  • Waarom denk je dat deze regel er is?
  • Wat zou er gebeuren als deze regel niet bestond?

Stap 5: Afsluiting (5 minuten)
Laat leerlingen kort reflecteren op de quiz. Dit kan bijvoorbeeld klassikaal, met post-its of wisbordjes.

Voorbeeldvragen:

  • Welke regels waren verrassend of zijn nog onduidelijk?
  • Wat heb je geleerd over de schoolregels?

Tip: laat leerlingen zelf ook een paar quizvragen bedenken.

Wil je deze opdracht inzetten in je mentorles? Download het werkblad gratis en probeer het uit!