Met deze praktische opdracht maken leerlingen een mini-poster over een belangrijke persoon rond het begin van de Eerste Wereldoorlog. Je kunt ervoor kiezen om de poster digitaal te laten maken in bijvoorbeeld Canva of juist op papier met kleurtjes etc.
In deze blog deel ik een werkblad dat je direct kunt inzetten in de klas. De opdracht is voor vmbo onderbouw geschiedenis of mens & maatschappij
Wat gaan de leerlingen doen in deze opdracht?
Ze kiezen één persoon: Keizer Wilhelm II, Frans Ferdinand, Gavrilo Princip of Tsaar Nicolaas II.
Leerlingen zoeken informatie op en maken een bronvermelding.
Vervolgens beantwoorden de leerlingen vijf vragen.
Daarna werken leerlingen deze informatie uit op een mini-poster.
Je kunt deze opdracht gebruiken als verwerking na je uitleg of bijvoorbeeld als korte onderzoeksopdracht.
Hoe kun je de opdracht afsluiten?
Korte presentaties: laat leerlingen hun poster kort toelichten in maximaal 3 minuten.
Ophangen in het lokaal.
Expositie in de gang: Maak een kleine tentoonstelling.
Reflectieopdracht: Laat leerlingen elkaars posters bekijken en een tip en top noemen.
Op 4 mei herdenken we in Nederland de mensen die zijn omgekomen in oorlogen. Op 5 mei vieren we dat we in vrijheid leven. Maar wat betekent vrijheid eigenlijk voor de leerlingen zelf? Het lijkt een simpele vraag, maar het antwoord is voor iedereen anders.
In deze opdracht gaan leerlingen nadenken over wat vrijheid voor hen betekent en daarna maken ze hier een gedicht over. In deze blog leg ik in het kort uit hoe je deze opdracht kunt inzetten in de klas. Onderaan kun je een gratis werkblad downloaden.
Doelgroep: onderbouw klas 1 en 2 mens & maatschappij, burgerschap en Nederlands. (Vakoverstijgend)
Wat gaan leerlingen doen in deze opdracht?
In deze opdracht denken leerlingen eerst kort na over wat vrijheid voor hen betekent. Ze beantwoorden vier eenvoudige vragen, maken een woordenlijst en kiezen vervolgens een vorm voor hun gedicht. Er zijn drie opties:
Een vrij gedicht
Een elfje (een gedicht van 5 regels met oplopend aantal woorden)
Start van de les: korte uitleg over 4 en 5 mei en eventueel een korte video met elkaar kijken. Vervolgens maak je een woordweb. Zet op het bord ‘wat betekent vrijheid voor jou?’. Bespreek dit kort en vertel bijvoorbeeld ook zelf wat vrijheid voor jou betekent.
Uitleg van de opdracht: daarna opdracht uitleggen en extra aandacht besteden aan de manier waarop leerlingen een gedicht mogen maken. Ik zou het zelf zo vrij mogelijk houden, dus leerlingen uit de drie opties laten kiezen (vrij gedicht, elfje of elke regel beginnen met ‘Vrijheid is … ‘ en leerlingen geen laptop of andere device laten gebruiken.
In principe is de opdracht wel in één lesuur te maken, maar het ligt er ook aan hoeveel tijd je aan de introductie en uitleg kwijt bent. Je kunt het ook in twee lessen doen, dat geeft net wat meer ruimte en dan kunnen leerlingen het gedicht ook bijvoorbeeld versieren met tekeningen etc.
Ik heb weleens een vrijheidsmuur met leerlingen gemaakt, maar ook in de coronatijd een soort vrijheidsetalage gemaakt. Dat laatste was niet zo’n succes, maar de vrijheidsmuur wel.
Afgelopen jaren waren er ook twee of drie leerlingen bij ons op school die een zelfgeschreven gedicht mochten voordragen tijdens de herdenkingsdienst op 4 mei. Dat heb ik jarenlang met leerlingen gedaan. Dat is natuurlijk een mooie afsluiting, maar als je iedereen bij deze opdracht zou willen betrekken met een afsluiting zou je dat ook op een andere manier kunnen doen. Bijvoorbeeld:
Maak een bundel: bundel de gedichten in een klein boekje (bijv. in Canva of Word als PDF), eventueel met een kaftje “Vrijheid in onze woorden – Klas X”. Print het uit of zet het op de schoolwebsite. Of misschien is er wel budget beschikbaar op school om het goedkoop te laten drukken zodat het uitgedeeld kan worden.
Gedichtenmuur: hang de gedichten op in de klas of in de hal of aula. Laat leerlingen eventueel zelf iets bij hun gedicht tekenen of ontwerpen.
Vrijheidsmuur: het is ook een idee om deze opdracht samen met de opdracht vrijheidsmuur in te zetten. De geschreven gedichten kunnen dan op de vrijheidsmuur geplakt worden. Klik hier voor de opdracht Vrijheidsmuur.
Voorbeeld van een gedicht geschreven door een leerling
Vrijheid Iedereen kent het woord vrijheid Maar niet iedereen kent vrijheid Sommige mensen hadden nooit gevoeld wat vrijheid was Zoals de mensen die opgroeiden in de oorlog
Als je een kunstenaar zou vertellen dat hij niet mocht schilderen dan zou er een wit doek overblijven Zo waren de kinderen van de oorlog ook, want ze mochten geen kleur aan hun leven toevoegen De kinderen van de oorlog konden geen kleuren in hun leven meer vinden Iedereen kent het woord vrijheid
In deze opdracht bedenken leerlingen hoe mensen in 1848 op de grondwet zouden hebben gereageerd als social media bestond in die tijd zoals wij dat nu kennen.
Leerlingen schrijven een kort social media-bericht vanuit een historisch perspectief. Alles gebeurt op papier, dus het past binnen een telefoonverbod op school.
Doelgroep: geschiedenis of mens & maatschappij vmbo onderbouw
Onderaan deze blog kun je het werkblad met de opdracht downloaden, zodat je er meteen mee aan de slag kunt in je les.
Beknopte versie van de opdracht
Let op: dit is een korte uitleg van de opdracht. Je kunt onderaan deze blog een werkblad downloaden met de opdracht voor je leerlingen.
Stap 1: Kies een rol
Elke leerling schrijft een bericht vanuit het perspectief van iemand uit 1848:
Johan Thorbecke
Koning Willem II – gaf toe aan de veranderingen, maar wilde dat eerst niet.
Een gewone burger – wat betekent deze verandering voor het volk?
Een tegenstander – iemand die vond dat de koning alle macht moest houden.
Stap 2: Schrijf een bericht op papier
De leerling kiest een van deze formats:
Instagram Post (3 zinnen + 2 hashtags)
TikTok-script (situatiebeschrijving + tekst in beeld + reactie)
Nieuwsbericht (korte ‘NOS Stories’ in 3 zinnen)
De opzet en de voorbeelden helpen leerlingen om op een gestructureerde manier de opdracht te kunnen maken.
Stap 3: Bespreken en reflecteren
De berichten worden ingeleverd en (eventueel) klassikaal besproken.
Wat zijn de belangrijkste veranderingen?
Waarom was deze grondwetswijziging zo belangrijk?
Welke gevolgen had dit voor Nederland?
Idee: hang de berichten op als een soort social media-muur in de klas! Dit geeft een goed overzicht van hoe verschillend mensen in 1848 naar de grondwet keken.
Wil je deze opdracht gebruiken? Ik heb er een werkblad van gemaakt, zodat je er direct mee aan de slag kunt in je les!
Ben je op zoek naar lesmateriaal over vrouwenkiesrecht voor je geschiedenisles? In deze blog deel ik twee opdrachten waarmee leerlingen ontdekken hoe de positie van vrouwen veranderde en welke rol Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs hierin speelden. Met deze werkvormen verwerken leerlingen de stof actief en krijgen ze inzicht in de argumenten voor en tegen vrouwenkiesrecht.
Onder aan deze blog kun je een kant-en-klaar werkblad downloaden.
Werkvorm 1: Profielkaarten van Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs
Doelgroep: vmbo onderbouw geschiedenis. Eventueel ook een idee om het vakoverstijgend te maken met beeldende vorming als je leerlingen laat tekenen bijvoorbeeld.
Let op: deze uitleg is bedoeld voor docenten. Wil je de volledige werkbladen voor je geschiedenisles? Download ze onderaan deze blog.
Doel van de opdracht: Leerlingen onderzoeken de rol van Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs en maken profielkaarten die de overeenkomsten en verschillen tussen beide vrouwen laten zien.
Hoe werkt het?
In deze opdracht gaan leerlingen aan de slag met het maken van profielkaarten over Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs. Hierdoor leren ze meer over de strijd voor vrouwenrechten in Nederland.
Wat is een profielkaart?
Een profielkaart is een soort informatief overzicht over een persoon. Je zet hier de belangrijkste informatie over iemand op, zodat anderen snel kunnen zien wie die persoon was en wat hij of zij heeft gedaan.
Op een profielkaart komen:
Een titel die past bij de persoon;
Een korte uitleg over haar leven en werk;
Een afbeelding of tekening van de persoon;
Een citaat of slogan van de persoon.
Een profielkaart moet kort en overzichtelijk zijn, zoals een informatieposter of een samenvatting. Dus als iemand de kaart leest, snel snapt wie deze persoon was en waarom hij/zij belangrijk is.
Uitvoering:
Onderzoek
Leerlingen zoeken informatie op over Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs. Ze beantwoorden vragen als: Wie was zij? Wat heeft ze bereikt? Waarom was ze belangrijk?
Profielkaart maken (25 min)
Op een A4 maken ze een overzicht van hun gekozen persoon met: ✅ Een pakkende titel ✅ Een korte uitleg over haar leven en werk ✅ Minimaal één afbeelding of tekening ✅ Een slogan of citaat dat bij haar strijd past
Reflectievragen Na het maken van de profielkaarten denken leerlingen na over de impact van deze vrouwen met vragen als:
Welke argumenten zouden tegenwoordig niet meer gebruikt worden? Waarom niet?
Als jij in de tijd van Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker leefde, welk standpunt zou jij innemen? Hoe zou je jouw mening verdedigen?
Doelgroep: vmbo bovenbouw geschiedenis. Ook een idee om het vakoverstijgend te maken met het vak Nederlands. Leerlingen zouden daarna bijvoorbeeld een betoog kunnen maken vanuit een bepaald standpunt.
Doel van de opdracht: Leerlingen onderzoeken de argumenten voor en tegen vrouwenkiesrecht en maken een argumentenoverzicht.
Hoe werkt het?
Deze werkvorm laat leerlingen zien dat vrouwenkiesrecht destijds een grote discussie was. Ze onderzoeken voor- en tegenargumenten en verwerken deze in een overzicht.
Uitvoering:
Onderzoek (15 min)
Leerlingen zoeken uit welke argumenten voorstanders en tegenstanders gebruikten. Ze verzamelen minimaal drie argumenten per kant.
Argumentenoverzicht maken (25 min)
Leerlingen maken een overzicht met:
Een duidelijke titel (Bijvoorbeeld: “Moeten vrouwen stemmen?”)
Argumenten vóór en tegen, overzichtelijk verdeeld. (a
Gebruik van pictogrammen, symbolen of kleuren.
Een korte conclusie.
Reflectievragen Na het maken van hun argumentenoverzicht denken leerlingen na over de discussie toen en nu:
Hoe denk je dat tegenstanders van vrouwenkiesrecht destijds zouden reageren op de argumenten van voorstanders?
Als jij in die tijd leefde, welk standpunt zou jij innemen? Hoe zou je jouw mening verdedigen?
Afsluiting
Leerlingen vergelijken hun argumentenoverzicht met klasgenoten en bespreken welke argumenten nu nog steeds relevant zijn.
Afsluiting van de opdracht
Optie 1 Klassikale bespreking
Vraag:“Welk argument vond jij het sterkst en waarom?”
Vraag:“Welke argumenten zouden vandaag de dag niet meer gebruikt worden? Waarom niet?”
Vraag:“Hoe denk je dat tegenstanders van vrouwenkiesrecht destijds zouden reageren op de voorstanders?”
Laat een paar leerlingen kort hun antwoord delen. Dit helpt hen om de argumenten nog eens te overdenken en te begrijpen hoe de discussie verliep.
Optie 2 Samenvattende opdracht
Laat leerlingen in één zin opschrijven wat ze uit deze opdracht geleerd hebben.
Verzamel een paar antwoorden en bespreek ze kort in de klas.
Heb je deze opdracht gebruikt in je geschiedenisles? Ik ben benieuwd naar jouw ervaringen! Laat een reactie achter of deel je feedback, zodat we samen het lesmateriaal voor geschiedenis nog beter kunnen maken.
Anne Frank was ongeveer even oud als jouw leerlingen toen ze haar beroemde dagboek schreef. Maar haar leven zag er heel anders uit. Hoe breng je dat dichtbij voor jouw leerlingen in de geschiedenisles? En hoe laat je hen tegelijkertijd reflecteren op hun eigen identiteit?
In deze creatieve opdracht maken leerlingen een collage waarin ze de verschillen én overeenkomsten tussen zichzelf en Anne Frank laten zien.
Door deze opdracht ontdekken leerlingen niet alleen wie Anne Frank was, maar krijgen ze ook inzicht in de impact van de oorlog. Tegelijkertijd reflecteren ze op hun eigen leven ( en privileges) in de huidige tijd.
Doelgroep: vmbo onderbouw geschiedenis, mens & maatschappij en kan ook vakoverstijgend met Nederlands (als ze daar bijvoorbeeld de Graphic Novel lezen).
Waarom zou je deze opdracht doen in de klas?
Persoonlijke betrokkenheid – ze maken een koppeling met hun eigen leven.
Geschiedenis begrijpelijk maken – door vergelijkingen wordt de Tweede Wereldoorlog concreter.
Creatief bezig – leerlingen zijn op een creatieve manier bezig om de lesstof te verwerken.
Wat hebben leerlingen nodig?
Groot vel papier, A3.
Tijdschriften of geprinte plaatjes.
Schaar en lijm.
Stiften, potloden of kleurtjes.
Hoe werkt de opdracht?
Stap 1 – Wie was Anne Frank?
Leerlingen zoeken informatie over Anne Frank: wie was ze, wat schreef ze in haar dagboek, waar hield ze van?
Ze maken aantekeningen en schrijven steekwoorden op.
Stap 2 – Wie ben jij?
Leerlingen denken na over zichzelf: wat zijn hun hobby’s, waar houden ze van, wat vinden ze belangrijk?
Ook dit schrijven ze kort in steekwoorden op.
Stap 3 – Maak een collage
Het papier wordt verdeeld in vier vlakken:
1. Wie was Anne Frank? 2. Wie ben jij? 3. Verschillen tussen jou en Anne Frank 4. Overeenkomsten tussen jou en Anne Frank
Leerlingen vullen de vlakken met plaatjes, tekeningen, woorden en kleuren. Korte tekstjes mogen ook.
Het doel is om creatief te zijn en een visueel beeld te maken van de vergelijking tussen henzelf en Anne Frank.
Download het werkblad en gebruik het direct in je les
Wil je deze opdracht meteen inzetten in je les? Download hier gratis het werkblad.
Pictionary is een activerende werkvorm die leerlingen uitdaagt om begrippen of bijvoorbeeld historische personen te tekenen en te raden. Zo verwerken ze de lesstof op een actieve manier.
In deze blog leg ik uit hoe je Pictionary kunt inzetten in je les en hoe je het voorbereidt. Scroll naar beneden om het werkblad met de lesbrief gratis te downloaden.
Deze werkvorm is geschikt voor verschillende vakken en niveaus.
Stap 1: Voorbereiding
Kies de begrippen Selecteer 10 tot 15 begrippen. Het hoeven niet per se begrippen te zijn, maar ook bijvoorbeeld namen van historische figuren, geografische locaties of andere relevante begrippen.
Maak kaartjes Schrijf elk begrip op een apart kaartje. Gebruik verschillende kleuren om het niveau van de begrippen aan te geven. (Bijvoorbeeld gekleurd karton van de Action)De kaartjes kunnen gelamineerd worden of op stevig papier geprint, zodat je ze vaker kunt gebruiken.
Verdeel de klas in teams Laat leerlingen in groepjes van 3 of 4 samenwerken, zodat iedereen een beurt krijgt als tekenaar en als raadteam. Je kunt willekeurige groepjes maken met een tool zoals Groepjesmaker.
Stap 2: Zo speel je Pictionary in de klas
Pictionary kun je op verschillende manieren spelen, dit is een manier hoe je het in de klas zou kunnen spelen:
Verdeel de klas in teams Elk team speelt om de beurt als tekenaar.
Introductie (5 minuten) Leg de spelregels uit:
Eén leerling trekt een begrip en tekent dit op het bord.
De rest van de klas probeert het begrip te raden.
Woorden, letters en cijfers zijn niet toegestaan.
De eerste leerling die het juiste antwoord geeft, verdient een punt.
Spelronde (15-20 minuten)
Een team kiest een tekenaar.
De tekenaar trekt een begrip en begint te tekenen.
De klas heeft één minuut om het begrip te raden.
Wissel na elk begrip van tekenaar en team.
Afsluiting en reflectie (5 minuten)
Bespreek welke begrippen lastig waren om te tekenen en waarom.
Vraag bijvoorbeeld leerlingen hoe zij een moeilijk begrip zouden tekenen als ze een tweede kans zouden krijgen.
Tips om Pictionary goed te laten verlopen
Houd de tijd bij met een stopwatch (timer op je mobiel) om het speltempo hoog te houden.
Moedig leerlingen aan om te blijven raden, ook als het niet meteen lukt.
Differentiatie is mogelijk door makkelijke en moeilijke begrippen te combineren.
Overweeg een klein prijsje voor het team met de meeste punten. (Of een privilege bijvoorbeeld)
Sociale media zijn niet meer weg te denken uit het leven van jongeren. Maar hoe ga je als mentor met je leerlingen het gesprek aan over social media zonder dat ze meteen afhaken of dat het belerend overkomt? In deze blog krijg je tips en werkvormen om het gesprek bijvoorbeeld tijdens een mentorles op gang te brengen.
Waarom is dit gesprek belangrijk?
Jongeren leven voor een gedeelte online (niet iedereen natuurlijk, maar een groot deel wel). Ze delen, liken, swipen en scrollen wat af. Maar dat heeft ook impact op hun zelfbeeld, concentratie en sociale vaardigheden. Als mentor heb je de kans om dit bespreekbaar te maken en leerlingen bewust te laten nadenken over hun eigen gebruik van sociale media. Dit sluit aan bij de pijlers van digitale geletterdheid zoals gedefinieerd door het SLO:
Informatievaardigheden – Hoe herkennen leerlingen nepnieuws en betrouwbare bronnen?
Mediawijsheid – Hoe gaan ze bewust om met hun online identiteit en privacy?
ICT-basisvaardigheden – Hoe gebruiken ze digitale middelen op een verantwoorde manier?
Computational thinking – Hoe doorzien ze bijvoorbeeld de algoritmes achter hun tijdlijn?
Hoe creëer je een veilige sfeer?
Het bespreken van sociale media kan gevoelig liggen. Vooral als het gaat over onderwerpen als online pesten, druk om altijd bereikbaar te zijn of negatieve reacties. Hier zijn een paar tips om een veilige sfeer te waarborgen:
Maak duidelijke afspraken – Bespreek met je klas dat iedereen respectvol met elkaars ervaringen omgaat.
Gebruik anonieme werkvormen – Bijvoorbeeld een vragenbox waarin leerlingen hun ervaringen kunnen delen zonder dat hun naam genoemd wordt.
Wees open en oordeel niet – Laat leerlingen vrij praten zonder een mening of oordeel te geven. Geef ook niet meteen een oplossing.
Laat ruimte voor emoties – Sommige onderwerpen kunnen iemand persoonlijk raken, dus zorg dat er tijd is om hierover te praten.
Geef leerlingen de optie om na de les met je te praten als ze ergens mee zitten. Of geef aan wanneer ze met je kunnen praten, of dat ze je een e-mail bijvoorbeeld sturen.
Hoe begin je?
Zorg ervoor dat je niet te belerend bent naar de leerlingen toe. Wees nieuwsgierig en laat hen aan het woord. Een paar startvragen:
Welke apps gebruik jij het meest en waarom?
Wat is het leukste en het vervelendste aan social media?
Heb je weleens iets meegemaakt online dat je vervelend vond?
Hoe weet je of iets dat je online ziet betrouwbaar is?
Een paar korte activerende werkvormen
Wil je het gesprek wat interactiever maken? Probeer dan een van deze werkvormen:
Stellingenrondje – Laat leerlingen reageren op stellingen zoals ‘Zonder social media zou mijn leven leuker zijn’ of ‘Ik voel me soms verplicht om direct te reageren op berichten’. Kan bijvoorbeeld met digitale tool zoals Mentimeter of LessonUp. Laat leerlingen anoniem reageren.
Schermtijd – Laat leerlingen hun gemiddelde schermtijd opschrijven en raden hoe dit zich verhoudt tot het gemiddelde in de klas. Het is handig om dit bijvoorbeeld met Mentimeter te doen.
Storytime – Laat leerlingen (anoniem) een positieve en een negatieve socialmedia-ervaring opschrijven. Kies er dan enkele uit om in de klas te bespreken.
Fake news check – Geef leerlingen een paar voorbeelden van nieuwsberichten en laat ze onderzoeken welke betrouwbaar zijn en waarom. Dit sluit ook aan bij digitale geletterdheid.
Sluit het gesprek af met een kleine opdracht. Laat leerlingen iets doen voor een week, zoals:
Een dag zonder sociale media.
Alleen positieve reacties plaatsen.
Schermtijd beperken met een timer.
Bewust kijken naar wat nep of echt is online.
Bespreek na een week wat ze hebben geleerd.
Waar kunnen docenten terecht voor meer informatie?
Wil je als docent meer weten over hoe je sociale media en digitale geletterdheid bespreekbaar maakt? Dan kun je terecht bij:
Netwerk Mediawijsheid– Het netwerk voor mediawijsheid in Nederland met veel tools en lesmaterialen.
Bureau Jeugd & Media – Specialistische trainingen en advies over sociale media en jongeren.
SLO (Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling) – Richtlijnen en onderwijsmaterialen over digitale geletterdheid.
Tot slot
Als mentor hoef je geen socialmedia-expert te zijn. Het belangrijkste is dat je leerlingen de ruimte geeft om hun ervaringen te delen en ze laat nadenken over hun eigen gedrag online. zorg ervoor dat je geen oordelen geeft of meteen met oplossing komt. Door open en nieuwsgierig te zijn, kun je écht het gesprek aangaan.
Actieve werkvormen maken een les dynamisch en zorgen ervoor dat leerlingen écht met de stof aan de slag gaan. Maar soms is het lastig om op het juiste moment een passende werkvorm te bedenken. Dan is het een handig om met het Werkvormenwiel aan de slag te gaan: een handige (digitale) tool waarmee je snel een werkvorm kiest en kunt inzetten. In deze blog laat ik je zien hoe je zelf eenvoudig een Werkvormenwiel maakt en hoe je dat kunt toepassen in je klas.
Wat is het WerkvormenWiel?
Het WerkvormenWiel is een soort rad van fortuin dat je vooraf zelf vult met verschillende werkvormen. Dit kan een fysiek rad zijn dat je in de klas gebruikt, maar je kunt ook een online versie maken met een tool zoals Wheel of Names. Tijdens de les draai je aan het wiel en laat je het lot bepalen welke werkvorm je gaat gebruiken. Zo houd je variatie in je lessen en betrek je leerlingen op een speelse manier.
Je kunt een fysiek rad kopen, maar zelf vind ik een digitaal rad net zo handig. Vooral als je geen vaste of eigen plek op school hebt. Als je wel een eigen lokaal hebt, is het ook een leuk idee om een fysiek rad te maken. Voorheen hadden ze ze wel bij de Ikea, maar op dit moment zitten ze niet in het assortiment. Misschien komen ze weer terug?
Waarom zou je het werkvormenwiel in je klas gebruiken?
Actieve betrokkenheid en afwisseling: leerlingen weten niet precies wat er komt en blijven alert.
Weinig voorbereiding en geen keuzestress: Eenmaal gevuld, kun je het wiel steeds opnieuw gebruiken. Je hoeft niet ter plekke een werkvorm te bedenken.
Vul het wiel met werkvormen: Kies 6 tot 12 werkvormen die passen bij jouw vak en lesdoelen.
Test het uit: Probeer het een paar keer om te zien welke werkvormen goed werken.
Pas het wiel aan wanneer nodig: Voeg nieuwe werkvormen toe of verwijder minder effectieve opdrachten.
Voorbeelden van werkvormen op het WerkvormenWiel
Om je op weg te helpen, zijn hier een aantal werkvormen die je kunt gebruiken:
Quizvraag bedenken: Leerlingen maken een quizvraag over de lesstof voor een klasgenoot.
Quizlet: doe een online quiz met Quizlet, bijvoorbeeld alle begrippen overhoren in Quizlet (voor Plein M en Geschiedeniswerkplaats heb ik alle begrippen in Quizlet gezet)
Teken het begrip: Laat leerlingen een concept visueel weergeven zonder woorden.
Mindmap maken: Leerlingen structureren hun kennis in een mindmap.
Manieren om je werkvormenwiel in te zetten tijdens je les
Maak bijvoorbeeld meerdere wielen: één voor startactiviteiten, één voor verwerking en één voor afsluiting.
Betrek leerlingen: Laat leerlingen zelf werkvormen aandragen en toevoegen.
Gebruik het regelmatig: Zo wordt het een herkenbare en vertrouwde tool in je lessen.
Combineer met andere tools: Gebruik het wiel bijvoorbeeld samen met een digitale quiz of een groepsopdracht.
Voorbeelden van werkvormen voor je werkvormenwiel
Er zijn natuurlijk heel veel werkvormen te bedenken. Maar als je het lastig vind of wat inspiratie nodig hebt, zijn hier een aantal werkvormen die je zou kunnen inzetten:
Start van de les (voorkennis activeren)
Woordweb maken – leerlingen noteren wat ze al weten over een onderwerp in een woordweb (kan ook digitaal met LessonUp)
Quizlet – een korte quiz over de vorige les of juist van het onderwerp van nu, om te kijken wat leerlingen al weten. (Heeft wel een beetje voorbereiding nodig, maar misschien heb je al Quizlets gemaakt)
Vragen bedenken – leerlingen formuleren drie vragen over wat ze willen leren tijdens deze les.
Foto of bron analyseren – toon een foto of bron en laat leerlingen beschrijven wat ze zien.
Wat weet je nog? – laat leerlingen in twee minuten op een post-it of wisbordje schrijven wat ze nog weten van vorige les.
Eind van de les
3-2-1-methode – noem drie dingen die je geleerd hebt, twee dingen die je interessant vond en één ding waar je nog een vraag over hebt.
Leerdoel beantwoorden – laat leerlingen op een post-it of wisbordje het leerdoel van de les beantwoorden.
Kaartje voor de toekomst – laat leerlingen opschrijven wat ze willen onthouden voor de volgende les en deel dit dan ook de volgende les weer uit.
Vraagkaartje in tweetallen – leerlingen schrijven een vraag op over de lesstof van vandaag en medeleerling moet dit beantwoorden en andersom.
Afvalscheiding is een belangrijk thema, ook binnen de schoolomgeving. Maar hoe zorg je ervoor dat leerlingen zich bewust worden van afval, recyclen en duurzaamheid? Met dit kant-en-klare project kun je leerlingen op een praktische manier aan de slag laten gaan met afvalscheiding binnen hun eigen schoolomgeving.
Waarom afvalscheiding op school?
Leerlingen en docenten op school produceren met elkaar dagelijks veel afval: papiertjes, drinkpakjes, plastic flesjes en nog veel meer. Door bewust om te gaan met afval kunnen leerlingen niet alleen bijdragen aan een beter milieu, maar ook leren waarom scheiden belangrijk is.
Wat houdt het project in?
Dit project over afvalscheiding is speciaal ontworpen voor het voortgezet onderwijs en sluit aan bij mens & maatschappij en burgerschap. Leerlingen onderzoeken hoe afvalscheiding op hun school is geregeld, analyseren mogelijke verbeteringen en bedenken een plan om afvalscheiding effectiever te maken.
In het gratis werkblad vind je:
Een duidelijke opdrachtomschrijving
Onderzoeksvragen om leerlingen actief te laten nadenken
Een stappenplan om een verbeterplan op te stellen
Een reflectieopdracht om bewustwording te vergroten
Dit werkblad is direct inzetbaar en vereist minimale voorbereiding. Ideaal voor een les waarin leerlingen op een actieve manier met duurzaamheid aan de slag gaan!
Je kunt dit project op verschillende manieren inzetten:
Samenwerken: laat leerlingen in kleine groepjes onderzoeken hoe afvalscheiding nu gebeurt op school en brainstormen over verbeteringen.
Maak er een projectweek van: geef leerlingen een week de tijd om hun bevindingen te verzamelen en een presentatie te maken.
Vakoverstijgend: koppel het project aan verschillende vakken. Bijvoorbeeld mens & maatschappij, aardrijkskunde, Nederlands en burgerschap.
Meer inspiratie?
Ben je op zoek naar meer lesmateriaal of gratis werkbladen? Kijk dan eens op mijn website voor extra inspiratie! Ik deel regelmatig lesideeën en kant-en-klare opdrachten die direct in de klas gebruikt kunnen worden.
Veel plezier en succes met het project! Laat je me weten hoe het project gegaan is als je het uitgevoerd hebt in de klas?
In deze vakoverstijgende opdracht kiezen leerlingen een schilderij van de website van het Rijksmuseum en onderzoeken ze de achtergrond van het schilderij en de maker. Vervolgens schrijven ze een fictief verhaal dat zich in de wereld van het schilderij afspeelt.
Onderaan deze blog kan je het gratis werkblad van deze opdracht downloaden.
Voor wie is deze opdracht geschikt?
Vmbo-tl klas 3 en 4
Nederlands: schrijfvaardigheid, creatief schrijven of fictiedossier.
Vakoverstijgend: Nederlands, CKV en eventueel geschiedenis.
Onderzoek: leerlingen beantwoorden vragen over het schilderij en de kunstenaar.
Schrijfopdracht: leerlingen schrijven een fictief verhaal waarin het schilderij centraal staat.
De opdracht is geschikt voor vmbo-tl/mavo en kan worden ingezet bij het vak Nederlands in samenwerking met CKV of eventueel geschiedenis. Leerlingen werken individueel aan deze opdracht. Je kunt ervoor kiezen om de opdracht digitaal te laten maken of met de hand te laten schrijven.
Ik zou zelf aanraden om de schrijfopdracht op school met de hand te laten schrijven en leerlingen geen gebruik te laten maken van laptop of andere device.
Bij geschiedenis zou je nog meer de nadruk kunnen leggen op de historische context en sociaal-economische aspecten. Of het juist weglaten als je geen samenwerking met geschiedenis doet.
Hoe werkt de opdracht?
1. Kies een schilderij uit de collectie van het Rijksmuseum
Leerlingen gaan naar de website van het Rijksmuseum (www.rijksmuseum.nl) en kiezen een schilderij dat hen aanspreekt.
Ze noteren de titel en de naam van de schilder en geven dit door aan de docent.
2. Onderzoek het schilderij
Leerlingen beantwoorden vragen over het schilderij, de kunstenaar en de tijd waarin het gemaakt is.
Ze letten op symboliek, kleurgebruik en compositie en bedenken wat het schilderij zou kunnen vertellen.
3. Schrijf een fictief verhaal
Leerlingen bedenken een hoofdpersoon en een conflict of probleem.
Ze schrijven een verhaal waarin het schilderij een rol speelt.
Het verhaal bevat emoties, gedachten en een duidelijke opbouw (begin, midden, einde).
4. Nakijken en inleveren
Leerlingen controleren hun verhaal op spelling en grammatica.
Ze leveren hun opdracht in of voegen het toe aan hun fictiedossier.
Lengte van het verhaal: 750 tot 1000 woorden
Voor wie is deze opdracht geschikt?
Vmbo-tl
Nederlands – schrijfvaardigheid en creatief schrijven.
Vakoverstijgend: Nederlands, CKV en eventueel geschiedenis.